Het is onrustig in onderwijsland. Waar studenten uit het hoger onderwijs universiteitsgebouwen bezetten uit protest tegen mogelijke bezuinigingen op de basisbeurs, demonstreerden studenten uit het mbo voor beter onderwijs. Wat is er toch aan de hand in het mbo? De onrust in het middelbaar beroepsonderwijs is niet nieuw, maar het onlangs verschenen rapport van de Onderwijsinspectie was de spreekwoordelijke druppel. De inspectie publiceerde immers een lijst met een vierenzestigtal ‘zeer zwakke’ opleidingen. Bovendien bleek dat er nog eens vijfhonderd opleidingen als ‘zwak’ betiteld werden. Bij de toetsing van een opleiding wordt er op twee zaken gelet. Allereerst op de opbrengst: te denken valt aan de scores op de examens. Daarnaast wordt er gelet op de ‘kwaliteit van het onderwijsleerproces’, zoals de leerstof en het schoolklimaat. Deze cijfers zijn op z’n minst zorgelijke gegevens. Kritiek op het functioneren van het mbo komt niet alleen van hogerhand, maar ook van docenten en studenten. Er is veel lesuitval, docenten presteren onder de maat en er blijft te veel geld hangen in het management. Deze problemen werken demotiverend voor de student, met veel schooluitvallers als gevolg. Die uitval is schadelijk voor de arbeidsmarkt, zo stelt de econoom Van Wijnbergen; immers het grootste deel van de werknemers komt van het mbo. Gaat daar iets mis, dan gaat er ook iets mis op de arbeidsmarkt. De SGP-jongeren menen dat de regering er goed aan doet in deze tijden van crisis zo min mogelijk te bezuinigen op het onderwijs, maar juist extra te investeren. Juist het mbo kan die investering gebruiken om de vele studenten een goede opleiding te geven, zodat zij niet tussentijds afhaken. De onderwijsinstellingen moeten zelf de inhoud van het onderwijs voor hun opleidingen vaststellen. Zodra zij niet voldoen aan de eisen van de Onderwijsinspectie en er binnen een jaar geen verbeteringen zichtbaar zijn, moet de inspectie de onderwijslicentie terugnemen. Johan van de Worp Commissie Onderwijs |